Overweging Overweging

Psalm (kunstvesper 10 oktober 2015)
Dat wat wij hebben ons niet gijzelt (11 oktober 2015)
In dit lichaam zal ik God aanschouwen (1 november 2015)
Wacht na dit een ander uur (22 november 2015)
Die geen vader was, zal vader zijn (29 november 2015)
Oh, kom er eens kijken (6 december 2015)
Vol verwachting (13 december 2015)
Kostbaar en kwetsbaar (24 december 2015)
 


Psalm 8
Klaas Holwerda, Nassaukerk, kunstvesper 10 oktober 2015)
 
Zie ik de hemel:
myriaden twinkelende
sterren, melkwegen
in oneindige verten
over ons gewelfd
 
Of de aarde
uitgerold
aan onze voeten:
het krioelen van
ontelbare soorten
vluchten vogels
langs het zwerk
vissen flitsend
langs de lanen
in de diepten
van de zee
 
Wie ben ik dan
en wie ben jij
dat wij gezien
zijn, geweten
genezen en
geborgen
 
Onzegbaar
geheim in ons
uitgeschreven
waarin wij leven
waarin wij ons
bewegen
en waarin wij
zijn

Reageren? Schrijf naar
[terug]
 
Dat wat wij hebben ons niet gijzelt
overweging bij Deuteronomium 15,7-11 en Marcus 10,13-31
(Klaas Holwerda, Nassaukerk, 11 oktober 2015)
 
Er zijn verhalen die niet ophouden te verontrusten. Het verhaal van vanmorgen is zo een verhaal. Een roepingsverhaal. Maar ook het verhaal van een mislukte roeping: een die niet wordt opgevolgd (Mc.10,21‑22). Zet het ook niet alle eerdere geslaagde roepingen weer op losse schroeven? Ook de leerlingen van Jezus slaat de schrik om het hart (Mc.10,24.26). En wij? Ontkomen wij eraan?
 
Nee - het verhaal lijkt ten diepste niet te draaien om de vraag of geld niet mag. Het wordt ons niet verteld om sluimerend slecht geweten wakker te roepen. Waarom dan wel?
 
Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven? (Mc.10,17) Dat is de vraag van de man die onverhoeds dit verhaal komt binnenvallen. Wat een spanning wordt daarin voelbaar. Wat een angst kiert er doorheen. Wanhoop over de oneindige keuzemogelijkheden. Niets meer te wensen en toch niet gelukkig. Opgejaagd klinkt het. Bang de juiste afslag te missen en achter het net van de eeuwigheid te vissen.
 
Wat moet je op zo een vraag zeggen? Misschien: wat maakt dat jij die vraag stelt? Jezus doet het met: de geboden ken je, niet dit, niet dat en zo verder (Mc.10,19). Dat alles, daar heb ik van jongsaf steeds naar geleefd, zo luidt de reactie (Mc.10,20) Ofwel: vertel mij wat, maar dat lost mijn probleem niet op.
 
Ik herinner me een interview met iemand over de tien geboden. Aangekomen bij het negende zegt hij het wat moeilijk te vinden daarop te reageren 'omdat ik zo langzamerhand de indruk wek dat ik nooit iets fout doe'. Wat een angst die je verbiedt ook maar iets nog te kunnen leren in het leven. Of ook maar een kleinigheid fout te hebben kunnen gedaan. Omdat anders de poort van de hemel voor eeuwig voor je gesloten zou blijven.
 
Je kunt je boos maken over zoveel zelfgenoegzaamheid. Je kunt ook de afgrond van de angst zien die daar doorheen kiert. Zo Jezus: het zien van de man vervult hem een moment met ontroering (Mc.10,21) Bij alle voorbeeldigheid wordt ook een immens tekort zichtbaar. Zo te leven met de geboden maakt van het leven één groot gevecht. Maakt een mens ontoegankelijk. Op veilige afstand van de mogelijkheden en talenten en verlangens die er diep in je zijn neergelegd. Op veilige afstand ook van de ander.
 
Daar helpt dus ook geen elfde of twaalfde gebod aan. Alleen een verleggen van het zwaartepunt in je leven. Het opgeven van rijkdom (Mc.10,21). Een topsalaris misschien wel. En vooral een denkwereld waarin zoiets volstrekt normaal is. Misschien wel vooral het opgeven van de waan dat het leven te koop is: een kwestie van vierkante waarheden of morele topprestaties. Niet langer als een eekhoorn wintervoorraden aanleggen van van jongsaf aan volbrachte geboden om je de onontkoombare dood mee van het lijf te houden. Durven te ontvangen in plaats van te moeten presteren. Ontvankelijk worden. Beschikbaar. Verantwoordelijk. Aanspreekbaar. Feilbaar. Kwetsbaar.
 
In het verhaal van vanmorgen gebeurt het nog niet. Het blijkt teveel gevraagd. Het gezicht van de man vertelt het. Het betrekt zienderogen. Het valt naar beneden. Het wil er niet aan. Teleurgesteld loopt hij het verhaal uit (Mc.10,22). Gevangen in een keurig bestaan. Gegijzeld door alles wat hij heeft.
 
Maar hij blijft de leerlingen bezig houden. En legt hij niet in onszelf zijn worsteling bloot? Het levensschip lichter maken en ontdoen van alle ballast die je meesleept. Durven zijn in plaats van hebben. het is misschien wel een van de moeilijkste opgaven in het leven. Geld is een macht om bestaansangsten mee te kalmeren. Geld opent deuren. Maar niet de poort naar geluk en levensvervulling.
 
Wie durft opgeven en loslaten: bezit en vermogen, oneigenlijke bindingen, dwang tot perfectie en volmaaktheid; wie gebrek en onvermogen en kwetsbaarheid aanvaardt, die zal het hart ook gemakkelijker openen voor de nood van anderen. Wie groeit in ontvankelijkheid, zal niet tekort komen, maar steeds meer mensen op voet van gelijkheid ontmoeten (Mc.10,29‑30).
 
Wie groeit in ontvankelijkheid, zegt Jezus, leeft pas echt. Leeft op de drempel van een nieuwe eeuw. Leeft het leven binnen. Ontgroeit de koude oorlog en bereikt de vrede van het samenzijn van mensen. En wat is ervaring van eeuwigheid anders dan dat?
 
Een verhaal dat blijft schuren en verontrusten. En misschien is het op het moment actueler dan ooit. Stond die rijke jongeman niet gisteren opnieuw op in Halbe Zijlstra die de toestroom van vluchtelingen een acute bedreiging voor onze welvaartsstaat en sociale voorzieningen noemde? Hij acht het zijn dure plicht als politicus ons welvaartsniveau waar hard voor gewerkt is te beschermen en daarom is het hard nodig het mes te zetten in de opvang.
 
Wie zijn in deze voorstelling van zaken nu eigenlijk de gelukszoekers? Alsof wij in ons deel van de wereld andere rechten zouden hebben dan mensen in andere delen van de wereld. Is dat niet wat de eerste lezing van vanmorgen noemt: een nietswaardig woord? De overweging: het jaar van de kwijtschelding en de verevening van schulden nadert. Hoed je!, zegt de eerste lezing daarover. Je oog zou boos worden tegen arme medebewoners van ons werelddorp (Dt.15,9).
 
Het koningschap van God begint daar waar wij zulke drogredenen doorzien en wij ons niet langer laat gijzelen door wat wij hebben, maar onze hand wijd openen zonder ons hart te laten vergiftigen (Dt.15,10).
 
Ja, dat gaat ons wat kosten. Laat niemand ons wijsmaken dat zoiets pijnloos kan. Maar het gaat ons nog veel meer opleveren, zegt Mozes en zegt ook Jezus. Om deze zaak zal de Eeuwige je zegenen (Dt.15,10) en zul je een schat in de hemel hebben (Mc.10,21). Of anders gezegd: je zult er meer mens van worden.

Reageren? Schrijf naar
[terug]
 
In dit lichaam zal ik God aanschouwen
overweging bij Job 19,23-27 en Marcus 12,18-27
(Klaas Holwerda, Nassaukerk, gedachtenis gestorvenen, 1 november 2015)
 
Het is maar een onzinnige vraag, vindt Jezus, die de Sadduceeën opwerpen. Een vraag zonder respect ook voor wie een geliefde hebben moeten loslaten. Jullie dwalen zeer, zegt hij (Mc.12,27). De Schriften zijn ons niet gegeven om er te pas en te onpas een boom over op te zetten, maar als woorden waaruit we troost kunnen putten in donkere uren en momenten van leegte en gemis.
 
Hoe anders leest Jezus diezelfde Schriften. God is niet een God van doden, maar van levenden (Mc.12,27). En dat leest Jezus af aan het verhaal van Mozes bij het brandend braambos (Ex.3). Een verhaal van de verwondering die een mens soms zomaar kan overvallen in een natuurervaring of godservaring. Het plotselinge besef opgenomen te zijn in een werkelijkheid die groter is dan wijzelf. Een ervaring waaraan ook de schilderijen van Roland Broekhuis hier in de kerk uitdrukking geven.
 
Mozes ervaart het daar in een gloed die wel warmte geeft, maar niet verteert (Ex.3,2). Een ervaring die het besef wakker roept van diepe verbondenheid met de mensen die ons zijn voorgegaan. Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob (Ex.3,6). Een uitdrukking van het besef dat de doden die wij moesten loslaten en teruggeven, geborgen zijn in licht en liefde. Dat zij niet voor niets geleefd hebben. Dat er een macht van liefde is die niet zegt: dood is dood, of: wat niet weet, wat niet deert, maar voor wie de gestorvenen blijven meedoen en meetellen, evenals de beloften ooit aan hen gedaan (Ex.3,7‑8).
 
Zoals al die geliefden van wie wij straks de namen zullen noemen, voortleven in onze herinnering, in de verhalen die wij over hen vertellen, in wat wij van hen geleerd hebben en in wat ons van hen bijgebleven is, zo leven zij voort in de herinnering van de Eeuwige en van de geheimenisvolle werkelijkheid die ons omgeeft. Dat is wat Jezus in dat wondere verhaal van Mozes bij het braambos hoort (Mc.12,26-27).
 
Wanneer wij denken aan onze dierbare doden, dan komen in de herinnering misschien ook pijnlijke momenten terug: ervaringen van ziekte, lijden en ontluistering. Of uren van diepe nood, strijd en wanhoop. Het is mij als pastor regelmatig overkomen dat zieken de deken wegslaan of hun kleren open maken om hun wonden en littekens te laten zien.
 
Dat zie je allemaal eigenlijk liever niet. En de vraag kan opkomen wat zieken en stervenden daartoe drijft. Geven ze daarmee misschien uitdrukking aan de worsteling met de ontluistering en vervreemding van hun eigen lichaam? Alsof ze willen zeggen: zeg mij dat ik dit nog ben!
 
En zijn we dan niet dicht bij die andere woorden die we hoorden: van Job? Hoezeer mijn huid ook is geschonden, in dit lichaam zal ik God aanschouwen (Jb.19,26). Mijn ogen en niet die van een vreemde zuilen hem zien (Jb.19,27).
 
Het lijkt op een tekst van Huub Oosterhuis die ook te vinden is in ons liedboek:
     Wat ik gewild heb
     wat ik gedaan heb
     wat mij gedaan werd
     wat ik misdaan heb
     wat ongezegd bleef
     wat onverzoend bleef
     wat niet gekend werd
     wat ongebruikt bleef
     al het beschamende
     neem het van mij
     en dat ik dit was
     en geen ander -
     dit overschot van
     stof van de aarde
     dit was mijn liefde.
     Hier ben ik.

     (Liedboek 962)
 
Mogen wij zo onze doden niet uit de hand van het leven gevallen weten en geborgen in liefde.
 
Reageren? Schrijf naar
[terug]
 
Wacht na dit een ander uur
overweging bij Zefanja 1,14-2,3 en Marcus 13,14-27
(Paula de Jong, Nassaukerk, 22 november 2015)

Wilde ik graag eens wat bemoedigends gaan zeggen, iets waar je echt wat aan hebt - staan er teksten over vreselijke oordelen op het programma.
Ik heb ze toch maar laten staan, al heb ik er tot dit moment op staan zweten.
 
Want ze vertellen van een felheid en woede waar we de afgelopen dagen voortdurend mee te maken hebben. Ze schetsen een wereld die in Parijs, in Beiroet, maar op zoveel plekken, twee jaar geleden bijvoorbeeld, op een strand in Tunesië, werkelijkheid is geworden. Zijn we dan toch bij het einde der tijden beland? Moet ik vrezen voor mijn leven en dat van wie mij lief zijn?
En meer nog, hoe moet ik hen beschermen?
 
Gistermorgen was ik bij een moeder die me verschrikt vertelde over haar zachtmoedige puberzoon die, toen hij hoorde van de aanslagen in Parijs,
had gezegd: als ze hier komen, dan ga ik naar de legerdump en koop ik een buks!
 
En ik snap hem: dit soort horror maakt je oerinstincten wakker, je levenskracht, inclusief de kracht om degene te doden die je leven bedreigt. Het was hij of ik - ik hoor het een veteraan zeggen.
 
Dat de mens in staat is om te doden, is geen bron van kwaad. Velen hebben geen moeite met het slachten van vee, als het een hoger doel dient, namelijk: voedsel
 
En als het doel maar hoog genoeg is, kunnen we het ook met mensen. Omwille van hij of ik, of: diegene die ik zo lief heb.
 
Maar het ontzettende van IS, van alle ideologien die de mensheid in goed en kwaad proberen te vangen is, dat het doel niet meer is: hij of ik, want de 'hij' of 'zij' is ontmenselijkt, een ding dat in de weg staat van hun zieke doel, en dat dus gewoon in koelen bloede moet worden opgeruimd.
 
Die kant van ontmenselijking wil ik niet op, al zou dat een oordeel makkelijker maken. Weglopen wil ik ook niet, al ben ik bang. En die buks laat ik liever links liggen
 
Wat dan? Wat voor licht bieden die bijbelverhalen die we hoorden, bij al hun onheilspellende woorden? Verschillende dingen, die ook niet zo een twee drie bij elkaar te brengen zijn. Kijk je naar het één, dan lijkt het ander uit het zicht verdwenen. Het is als zo'n kubuspuzzel met vier plaatjes, die je draaien moet.
 
Ik ga eerst even kort door de bocht: hoe heftig ze ook mogen klinken, waar het om gaat is wel de hoop dat het anders wordt, dat vrede de uiteindelijke stip op de horizon is. Dat kunnen geloven, en daarnaartoe durven leven
is de kunst.
 
Tegelijkertijd ontkennen Sefanja en Jezus niet de werkelijkheid zoals die is: de realiteit van geweld, van vernietiging, van een wereld of samenleving die wordt weggevaagd. Deze teksten erkennen het feit dat de weg naar vrede en recht en ruimte voor elkaar dwars door vernietiging en dood loopt. En dat dat al eeuwen zo is.
 
Valt er meer te zeggen? Deze teksten komen op uit een diep gevoel: zoals het nu gaat, klopt het niet. Het kan niet langer zo, het moet anders. Het roer moet om. Zo nodigen ze uit tot actie. En die actie is heel actueel en urgent: nu of nooit!
 
Wat voor actie? Zoek de gerechtigheid en, staat er bij Sefanja heel mooi, de bescheidenheid. Ik zou een preek over dat woord alleen kunnen houden. Ik denk dat het woord iets te maken heeft met: ken je plaats temidden van de grootsheid van gods schepping, de diversiteit van het bestaan, alles wat mogelijk is, alle verleidingen, alle uitdagingen. Ken jouw plaats, maak 'm niet groter, maar ook niet kleiner - allebei is niet vanzelfsprekend - maar kom in alle bescheidenheid op voor het jouwe en voor het eigene van ieder mens.
 
En dan, ten slotte, nog één keer: die beloofde vrede, die staat er niet voor niets.
 
Afgelopen week sprak ik iemand die me vroeg: op wat voor manier beïnvloed jouw geloof je idee van tijd? En toen realiseerde ik me: uiteindelijk reken ik op de eeuwigheid, wacht ik ook een heel ander uur, vertrouw ik dat al die ellende en vernietiging voorbij gaat, dat de vrede komt. Punt.
 
Dat vertrouwen is niet altijd bereikbaar. In het heetst van de strijd is er soms alleen maar dat: strijd. Met deze teksten in je achterhoofd weet je: gewoon doorgaan, alleen maar dat, tot het licht wordt.
 
Reageren? Schrijf naar paula.a.dejong@gmail.com
[terug]
 
Die geen vader was, zal vader zijn
overweging bij Maleachi 3,1-4 en Lucas 1,5-25
(Klaas Holwerda, Nassaukerk, 29 november 2015)
 
Een verhaal rijk aan beelden en contrasten is het, de vertelling waarmee Lucas zijn boek over Jezus opent. In de gestalten van Zacharias (priester) en Elisabet (ook al van priesterlijke komaf, Lc.1,5) herleven voor ons oog de oerbijbelse gestalten Abraham en Sara (Gn.18,11). Beiden vergevorderd in hun dagen (Lc.1,7). Maar geen kind, geen zoon (Lc.1,7). Naar bijbels besef betekent dat: zonder toekomst. Met hen houdt het op.
 
Zoals aan Elisabet de vreugde van het moederschap ontzegd is, zo heeft Zacharias het hoogtepunt van het priesterschap nooit mogen beleven: het moment waarop hij door het lot werd aangewezen om in de tempel het reukoffer op te dragen (Lc.1,9) en zo de gebeden van allen voor het aangezicht van God te brengen (Lc.1,10). Het lijkt wel of zij samen de vergeefsheid belichamen waarin wij ons allemaal wel bij tijd en wijle gevangen weten. De zorg dat het allemaal nergens toe leidt. De zorg dat mijn leven er niet toe doet.
 
Het cynisme ook. Bij elk sprankje van verandering zeggen: het zal toch wel niets worden. De verwachting van deze twee, of toch tenminste de verwachting van hem, lijkt stil aan begraven. Hij gelooft er niet echt meer in.
 
En vergis je niet: ook zonder op gevorderde leeftijd te zijn kunnen zulke gevoelens binnensluipen of je overvallen. Het besef dat je in het geheel niet bij machte bent het verschil te maken. Dat je niet opweegt tegen het uiteenvallen van de wereld. Of je wilt je kind wel wat meegeven in het leven: maar wat dan? Staat er wat op? Of is de film van je eigen leven leeg?
 
En is het toevallig dat dit verhaal over een priester gaat? Of raakt het ons in onze verlegenheid met de kerk en met het geloofsverhaal? Waar komt die schroom vandaan om het daarover als het maar enigszins kan juist niet te hebben? Wat zou een kerk of een geloofsgemeenschap anders moeten zijn dan een plek die je dichter bij het heilige brengt en mensen uitnodigt hun binnenkamer te openen? Een plek ook waar je juist niet mee hoeft in de collectieve waan van perfectie, gezondheid en veiligheid? Maar waar de rauwe kant van het leven benoemd mag worden: lijden, kwetsbaarheid, onvolmaaktheid en eindigheid?
 
Maar dan. Voedt het verhaal niet juist het vertrouwen in het openbreken van gesloten verwachtingen? Een bode van alzo hoge scheert daar zomaar binnen, staat daar naast het elkaar (Lc.1,11). Plotseling en onverwacht, zoals ook in de profetenwoorden van vanmorgen (Ml.3,1). De hemel raakt zomaar de aarde. In situaties van uitzichtloosheid opent zich een onverwacht perspectief. In kwetsbaarheid en eindigheid licht zomaar eeuwigheid op. Je moet het alleen zien. En willen zien.
 
Het gebeurde, zo staat er een aantal keer in het verhaal. Het gebeurde in de dagen van Herodes (Lc.1,5). Alsof het verhaal wil zeggen: niet de heersende macht schrijft geschiedenis. Ware geschiedenis schrijft zich juist uit in de marge van de macht. Voor wat er werkelijk toe doet moet je bij mensen zijn die schijnbaar niet meetellen in deze wereld.
 
Het gebeurde bij het verrichten van de priesterdienst (Lc.1,8). Alsof het verhaal wil zeggen: het doet zich zomaar voor in het vervullen van de dagelijkse routine en de eigen levenstaak. En: bidden, kun je zeggen, is verlangen naar een andere wereld. Meer is er niet nodig.
 
Gods woord wil deze wereld omgekeerd, dicht Huub Oosterhuis: dat lachen zullen zij die wenen, dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft, dat dorst en honger zijn verdwenen - de onvruchtbare zal vruchtbaar zijn, die geen vader was zal vader zijn; mensen zullen andere mensen zijn, de bierkaai wordt een stad van vrede (Lb.1001).
 
Maar durven wij nog denken dat deze droom het houdt? Of lijken wij meer op de priester die niet meer lijkt open te staan voor een woord van de andere kant of een teken dat de geslotenheid openbreekt? Het hart van de priester lijkt even gesloten als de moederschoot van zijn vrouw.
 
Staat hij misschien model voor onze eigen momenten van leegheid? Verbeeldt hij de verlegenheid van een kerk waar de tijd heeft stilgestaan? Een kerk die de oude woorden spreekt, de bekende handelingen verricht en de vertrouwde gebaren maakt - maar het leven is eruit weggesijpeld, de ziel is eruit verdwenen.
 
Het wil er niet meer in: dat jouw kind misschien wel bij machte is generaties met elkaar te verbinden in plaats van uit elkaar te spelen (Lc.1,17). Of vluchtelingen van elders en mensen van hier met elkaar te verbinden in plaats van uit elkaar te spelen.
 
Het verhaal loopt uit op woordeloosheid: een met stomheid geslagen priester (Lc.1,20) die geen woord meer kan uitbrengen (Lc.1,22). En toch ligt er ook belofte in. Zijn woordeloosheid zal even lang duren als haar zwangerschap (Lc.1,20). Deze tijd van advent kan tot een periode van stille inkeer worden en groeiende ontvankelijkheid voor de droom van deze wereld omgekeerd. Een tijd voor het voeden van de innerlijke verwachting en het laten vormen van het eigen hart tot een heilige ruimte, een tempel waar het geheim van God bewaard wordt.
  
Reageren? Schrijf naar
[terug]
 
Oh, kom er eens kijken
overweging bij Micha 5,1-4 en Lucas 1,26-38
(Paula de Jong, Nassaukerk, 6 december 2015)

Je zult zwanger worden en een zoon baren: mensen, dat zijn magische woorden. Of je nu maagd bent of niet, oud of jong, toen of nu.
 
Die woorden roepen een wereld aan ervaringen en emoties op.
 
Want zowel zwanger worden als een kind baren is helemaal niet vanzelfsprekend. Of je nu maagd bent of niet, oud of jong, toen of nu.
 
Terwijl het steeds en steeds opnieuw gebeurt, terwijl dat de manier is waarop het leven doorgaat, blijft het iets onvoorstelbaars magisch. Je ziet het (tegenwoordig steeds vroeger met die echo's), maar je kunt er niet bij. Hoe kan het? Hoe komt er leven in, een ziel?
 
Ik heb het iedere seconde van dichtbij meegemaakt en ik snap er nog steeds niets van, van dat nieuwe leven
 
Maar ik ben me er wel meer gaan door beseffen dat het leven zelf (op een heel fysieke aardse manier) goddelijk is. Er is niet een scheiding tussen boven en beneden, hemel en aarde. Het is één: op een of andere onnavolgbare manier. Het is groots. En tegelijkertijd: het had er ook zomaar allemaal niet kunnen zijn.
 
En daarom hebben we engelen nodig, die ons daarop wijzen. Want die goddelijke kant of die wonderlijke kant kun je zomaar uit het oog verliezen
in het gedoe en getrek en gesjor van alledag, het gaan voor je doelen, het mooier voordoen dan het is.
 
Dat kan vrij onschuldig zijn, maar als je de werkelijkheid probeert aan te passen aan jouw plaatjes, gaat er toch iets mis. Je kan het bestaan namelijk niet beheersen. Wie zich daaraan waagt, eindigt uiteindelijk als tiran. En zo iemand mag zich godenzoon noemen, een tiran is van God los.
 
Want het verhaal van Maria en de engel vertelt van de ervaring dat het goddelijke te ontdekken en te zien is in je eigen leven, zonder dat je daarvoor de werkelijkheid geweld aandoet. Die is van zichzelf al geweldig genoeg, ook in de heftigheid, als je het wonder, het kwetsbare van het leven aan den lijve ondervind.
 
Maar de engel doet meer dan wijzen op die wonderlijke goddelijke kant van het leven. Er wordt niet zomaar een kindje aangekondigd, het gaat om de verlosser van Israël, en van alle volken. Met zijn boodschap raakt de engel in een paar woorden aan de hoogte- en dieptepunten en de verlangens uit de geschiedenis van Israël waarin koningen en heersers een dubieuze plek innemen.
 
Terwijl buurvolken hun koningen vereren als god zelf, hield men in Israël staande dat dát teveel eer is. Je kan een mens geen godenmacht in handen geven, dat wordt een tiran. Een koning hoort dienstbaar te zijn aan zijn volk.
Toch weerstond geen enkele israelitische koning de verleiding om voor god te gaan spelen ...
 
Toen de engel bij Maria kwam, had haar volk al lange tijd geen eigen koning meer. Wel waren diverse andere heersers langsgeweest. Nu zat Herodes op de troon, die zichzelf tot godenzoon benoemd had. In de woorden van de engel proef je de eeuwenlange ervaring met het lijden aan machthebbers
en het eeuwenlange verlangen naar een ware koningszoon, die werkelijk bevrijden kan van tirannie. Iemand die ons bestaan niet probeert te beheersen, maar juist bevrijdt door te laten zien door welke machten en krachten we ons laten beheersen. En door ons te wijzen hoe het anders kan, hoe je vrij in het leven kan staan.
 
Die zoon kondigt Gabriël aan: iemand die letterlijk, vanaf zijn ontvangenis een kind is van zijn Vader.
 
En Maria? Die zegt: ja, laat aan mij gebeuren zoals u het voorzegd hebt. Mij geschiedde naar uw woord.
 
Soms vraag ik me af: als ze nee had gezegd, was Gabriel dan een deur verder gegaan? Of zou 'ie een paar eeuwen verderop zijn gaan kijken?
 
Het doet er niet echt toe, want Maria zei ja en dat maakt wel degelijk uit. Maria gelooft de boodschap van de engel ze laat zich wijzen op de goddelijkheid van het bestaan en daar begint redding: dat je vermoedt, gelooft, vertrouwt, dat het bestaan veel meer is, dat er veel meer ruimte en vrijheid is dan je met je kleine hoofdje voor mogelijk houdt.
 
Ik had boven de orde van dienst van vandaag gezet: oh kom er eens kijken. Want ik ben gek op Sinterklaas. Het kan namelijk niet op bij die man. Wat je voor je verjaardag niet krijgt, is bij de Sint zomaar wél mogelijk. Hoe heerlijk .is dat
 
En al is God geen Sinterklaas, de Sint is, denk ik, niet voor niets een heilige. Hij snapt wel iets van God in de zin dat het niet op kan, dat er magische dingen gebeuren, dat het hele land ervan op leeft en dat 'ie niets had bereikt zonder alle hulpsinterklazen.

Oh kom er eens kijken ... Het allermooiste is soms voor het oprapen. Want het bestaan is niet vanzelfsprekend en daardoor altijd een geschenk.
 
Reageren? Schrijf naar
[terug]
 
Vol verwachting
overweging bij Zefanja 3,14-20 en Lucas 1,39-56
(Klaas Holwerda, Nassaukerk, 13 december 2015)
 
Een aantal jaren geleden al weer maakte een Iraanse tienermoeder de film Poppen die huilen. Over zeven tienermoeders van Nederlandse, Russische, Bosnische, Marokkaanse en Portugese komaf. Ze wilde laten zien hoe tienermoeders tegen de maatschappij aankijken en deze vaak voor dom en naïef versleten meisjes een stem geven. Want waar kunnen ze hun verhaal kwijt? Soms moet voor hen een kind een gevoel van leegte opvullen. Soms ook willen ze met een kind bewijzen dat ze volwassen zijn en voor iemand kunnen zorgen.
 
Met Maria brengt ook het evangelie van vanmorgen een aanstaande tienermoeder in beeld. Het maakt daar geen probleem van. Integendeel. Het beklemtoont dat wat daar groeit in haar schoot van God komt (Lc.1,35). Dat Maria overtuigd raakt van haar verantwoordelijkheid voor het kind in haar schoot. En dat het voor een bijzondere taak geboren zal worden. Dat in de geboorte van haar kind de geboorte van een nieuwe wereld zich zal aankondigen. Dat zij drager is van de aanwezigheid van God. Er kwam in het verhaal van vorige week een engel aan te pas om haar dat aan te zeggen (Lc.1,26‑38).
 
Maar nu? Bij wie kan zij met haar verhaal terecht? Bij lang niet iedereen. Bij niemand in haar directe omgeving in Nazaret. Daarover gesproken: een groep predikanten van een kleiner kerkverband tobde zwaar over een doopverzoek dat een van hen binnen afzienbare tijd tegemoet zag van een moederpaar dat een zwangerschap van een van hen gezocht had. Of dat verzoek wel ingewilligd kon worden. En of de gemeente dat wel kon dragen. Geen van hen verbond wat groeide in die moederschoot met eerbied, met een heilig geheim, met iets dat van God komt.
 
Iemand anders noemde het een intuïtief weten dat in het bijbelverhaal Elisabet wel aan de dag legt. Zij werd vervuld van heilige geest, staat er (Lc.1,41). Zij wordt tot stem van de profetie. Zij ziet in Maria dochter Sion oplichten (Zf.3,14) en roept over Maria de vreugde uit die de profetie van vanmorgen over de vernederde rest van het volk Israël uitroept (Zf.3,18‑19): Gezegend ben jij onder de vrouwen! Gezegend is de vrucht van je schoot (Lc.1,42).
 
Kune Biezeveld schreef in het zicht van haar vroegtijdige dood een boek waarin zij er voor pleit God veel meer te verbinden met het alledaagse. In de verhalen van vorige week en vanmorgen gebeurt dat voluit. Misschien wel nergens anders in de bijbel wordt zo intens en zo intiem verbeeld hoe de hemel de aarde raakt en God zich verbindt met het menselijk bestaan, met wat er groeit in de moederschoot.
 
En de vraag is of wij daarvoor openstaan. Zoals die beide vrouwen in het verhaal die durven te luisteren naar de taal van hun eigen lijf. Laat aan mij gebeuren naar jouw woord, zegt Maria (Lc.1,38). Ontvankelijk voor wat haar overkomt zegt zij er 'ja' op en stelt zij zich open voor het eerbiedig geheim dat zich aan haar voltrekt: een toekomst die groter is dan zijzelf.
 
En intuïtief weet Elisabet dat het kind dat opspringt in haar schoot (Lc.1,41) een kind in die andere schoot begroet (Lc.1,42). Twee vrouwen in de marge van het grote wereldgebeuren. Maar in een ontmoeting als die tussen deze twee komt energie vrij. Zij weten zich draagster van nieuwe en ongekende mogelijkheden. Met een zegen bemoedigen zij elkaar tot een krachtig en vruchtbaar leven. Voor wie het kan zien en wil zien, barst het soms zo ingewikkelde en zware en bedreigde leven van verwachting.
 
Net als in de schilderijen van Senad Alic hier aan de wand. De herinnering aan de geur van kersen in nu vergeten en verlaten boomgaarden in zijn geboorteland Bosnië.
 
In het lied dat zij zingt, voelt Maria aan dat deze wereld omgekeerd begint met een kind dat groeit in de moederschoot:
     Hij haalde de machtigen neer van hun tronen,
     maar armen en kleinen hief Hij omhoog.
     Wie hongerden zijn ruimhartig verzadigd,
     wie alles bezaten staan met lege handen.

     (Lb.157d; Lc.1,52‑53)
 
En is deze wereld omgekeerd niet evenzeer een wereld waarin niemand meer hoeft te vluchten als ook een wereld waarin homo's en vrouwen zich niet opnieuw onveilig hoeven te voelen voor nieuwkomers zonder besef van onze waarden?
 
In een roman van David Guterson verschijnt in de grauwe en bedompte sfeer van het regenwoud Maria aan een veertienjarig weggelopen meisje met een verleden van drugs en sexueel misbruik: Ann Holmes. De verschijning van Maria blijkt uiteindelijk een hallucinatie te zijn, veroorzaakt door overmatig medicijngebruik, maar heeft niettemin grote gevolgen. Alleen al het gerucht ervan roept de hunkering wakker naar een gaaf en zinvol leven.
 
En Senad Alic laat ook met bijzondere kunstprojecten kinderen in asielzoekerscentra vertrouwen en vrolijkheid hervinden. Voor wie het kan zien en het wil zien is deze wereld zwanger van nieuw leven en vol verwachting.
  
Reageren? Schrijf naar
[terug] 
 
Kostbaar en kwetsbaar
overweging bij Jesaja 9,5 en Lucas 2,1-20
(Klaas Holwerda, Nassaukerk, kerstnacht, 24 december 2015)
 
     Verraadt ons aller angst zich niet
     in wie het leven weerloos liet?
     De glasglans stemt de blazer mild.
     De kaarsvlam vormt de hand tot schild.
     De krokus wijst beton zijn grens.
     Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

     (Okke Jager)
 
Vrees niet, zo begint het bericht van alzo hoge door een engel naar hier beneden gebracht (Lc.2,10). Intussen doet zich in de werkelijkheid van alle dag meer dan genoeg voor dat onze zorgen en angsten aanwakkert. De wereld van vandaag ziet er niet wezenlijk anders uit dan in het plaatje van het bijbelverhaal van deze nacht. Het gesleep met vluchtelingen van de ene naar de andere plek (Lc.2,4). En te vaak: nergens plaats (Lc.2,7). Het codewoord waarom het allemaal draait is: je laten registreren en inschrijven (Lc.2,1‑5). En dat dat ergens anders had moeten gebeuren: aan de buitengrenzen van Europa, op de eerste plek van aankomst, en noem maar op. Op de arbeidsmarkt en in de zorg lijkt het al niet anders: procedures en protocollen gaan boven aandacht, inleving en medemenselijkheid. En wie toch al in kwetsbare omstandigheden verkeren, om welke redenen dan ook, hebben nog het meest reden zich zorgen te maken.
 
Angst is een grondtoon van het menselijk bestaan en daaraan eigen. Zonder kan het niet. Wie sterk is of denkt te zijn, kan de angst wegduwen. Zoals het blok waarmee de verbeelding zo net begon. Wie bij uitstek kwetsbaar is, kan dat niet of tenminste minder. Maar, met het verbeelde gedicht:   verraadt ons aller angst zich niet in wie het leven weerloos liet?
 
Vrees niet. Iemand heeft nageteld dat die woorden 365 keer in de bijbel te vinden zijn. Voor elke dag van het jaar een keer. Ik heb het niet nageteld. Maar een grondtoon in de bijbel is het wel.
 
Vrees niet. En waar neemt het verhaal ons dan mee naar toe in weerwoord op onze angsten en zorgen? Naar een pasgeboren kind (Lc.2,12.16). Kwetsbaar bij uitstek. En tegelijk kostbaar. Voor wie het kan zien en het wil zien en het de ruimte geeft.
 
Neemt het gedicht ons niet op eenzelfde manier mee naar wat kwetsbaar is en tegelijk kostbaar? Het is niet wat het lijkt.
 
Een geestelijk verzorger van een instelling vertelt: Barbara zat in een rolstoel. Anton duwde haar. Wat aardig van Anton, dacht ik. Het omgekeerde was waar. Anton durfde nauwelijks zijn kamer uit. Barbara nam hem op sleeptouw de wijde wereld in. Zij bood hem bescherming achter haar rolstoel, gezelschap onderweg en richting voor zijn doen en laten. Barbara kon ook zonder Anton met haar rolstoel vooruit. Ik moest mijn beeld laten omvormen. Meer oog krijgen voor de kwetsbaarheid van Anton en de kracht van Barbara.
 
Het is niet wat het lijkt. Wat broos, ijl of kwetsbaar is, oefent invloed uit op wat krachtiger en machtiger lijkt. Barbara brengt Anton overeind. Een pasgeboren kind doet iets met bonkige herders. De kwijnende vlam doet iets met de hand en vormt die tot schild. De ijle glans van vloeibaar glas en breekbaar kristal doet iets met de glasblazer: het stemt die mild. Een krokus bloeit op door een kleine kier in scheurend beton.
 
De geestelijk verzorger van zo net vertelt nog een verhaal. Nu over Carla die altijd ineengedoken zit. Om contact te maken en op gelijk niveau te komen hurkt hij bij haar neer. Ga maar staan, bijt Carla hem toe: ik ben geen kind. Zij had een ander idee over waardigheid en gelijkwaardigheid.
 
Een hand is alleen maar een schild als er ook een tussenruimte blijft bestaan. Anders doof je de vlam of je brandt je vingers. Er is geen ontvankelijkheid zonder tussenruimte, geen gastvrijheid zonder waardigheid. Dat zie je ook, als je goed kijkt, in de schilderijen van Senad Alic hier aan de wand achter de tafel waarop kerstbrood en chocolademelk klaarstaan.
 
We zagen in de verbeelding een samenspel: van kaarsvlam en hand, van geven en ontvangen. Dat spel van geven en ontvangen, zo zegt het verhaal van deze nacht, speelt de hemel met de aarde en God met de mensen. Eer in den hoge aan God en op aarde vrede voor mensen van welgevallen, zo zingt het koor van engelen (Lc.2,14).
 
Wat is dat eigenlijk: mensen van welgevallen? Laat ik het vertellen met een verhaal, onlangs opgetekend in onze inloop. Iemand vertelde daar: als ik een kerstpakket krijg, ga ik er mee door de hele stad fietsen om te laten zien dat ik ergens bij hoor.
 
Mensen van welbehagen zijn mensen die ergens bij horen. Mensen die delen in de liefde van de hemel voor de aarde en van God voor de mensen. Mensen die zich gezien weten en zich in het samenspel van geven en ontvangen ontvangen weten, toegelaten, aanvaard om niet. niet vanwege status of prestaties. Maar om wie ze zijn. Kwetsbaar. En juist in hun kwetsbaarheid kostbaar.
 
Zulke mensen kunnen wij voor elkaar worden, zegt het verhaal van deze nacht. Het pasgeboren kind dat iets doet met bonkige herders, het wil in ieder van ons geboren worden. Kostbaar en kwetsbaar.
  
Reageren? Schrijf naar
[terug] 

terug